Acupunctuur


Het woord acupunctuur komt van het Latijnse "acus punctura", dat letterlijk "naalden steek” betekent. Het is een onderdeel van Chinese geneeskunde en men schat dat het rond 3000 v. Chr. is ontstaan. Andere onderdelen van de Chinese geneeskunde zijn: kruidentherapie, Tui Na (meridiaan massage) en Qi Qong. Chinese geneeskunde benadert ziekte op een andere manier dan westerse geneeskunde; zij gaat uit van de mens in zijn geheel en niet vanuit een ziekte op zich. Westerse en Chinese geneeskunde sluiten elkaar niet uit, zij kunnen juist een goede combinatie met elkaar vormen.

In de acupunctuur wordt gewerkt via meridianen. Meridianen zijn ingewikkelde netwerken van banen waardoor onze energie (Qi), bloed en lichaamsvloeistoffen in het lichaam wordt verspreid. De Qi, Bloed en Lichaamsvloeistoffen dienen altijd gelijkmatig te stromen en voldoende aanwezig te zijn. De meridianen maken contact met organen en voeden en bevochtigen elk deel van ons lichaam. Door verschillende oorzaken kunnen blokkades, overschotten of tekorten ontstaan met pijn, ongemak en ziektes als gevolg.
In normale omstandigheden kan het lichaam een disbalans makkelijk terug in evenwicht brengen. In een situatie van ziekte is het lichaam echter niet in staat het evenwicht te herstellen. Acupunctuur kan daarbij helpen. Door het zetten van naalden, het gebruik van moxa en cups kan een acupuncturist verstoringen beïnvloeden en harmoniseren.

De Wereld Gezondheid Organisatie (WHO) van de Verenigde Naties beschrijft meer dan vijftig aandoeningen waarbij acupunctuur kan helpen. Hieronder vallen vele soorten pijn, menstruatieklachten, overgangsklachten, maag-en darmklachten, allergieen, longklachten, slaapstoornissen, stress, verslaving, vermoeidheid, hoofdpijn, migraine en psychische problemen.